Initiatiefgroep belangen oud-medewerkers cq –

Monthly Archives: december 2014

Brief curator Entzinger

Postbus 622, 9400 AP ASSEN

Plas Bossinade Advocaten N. V.

De heer mr. W.A. Entzinger

Postbus 11 00

9701 BC GRONINGEN

 

Assen, 16 december 2014

 

Onderwerp CQ I faillissement JS/SZ/IV – 31044.53

Uw referentie Gemeente Emmen/Sprangers qq

Advocaat J.M. Sprangers, Sprangers@rein.nl

secretaresse : 0592-377 067

 

 

Amice,

 

 

 

Conform uw verzoek in uw -mailbericht d.d. 20 november jl. kom ik in schriftelijke vorm op bovenvermelde kwestie terug.

Alvorens ik overga tot het innemen van (juridische) standpunten, krijg ik – zoals u weet – graag eerst antwoorden op bepaalde vragen en verneem ik de zienswijze van uw cliënte, die mij tot op heden nog altijd onbekend is gebleven.

Voor zover ik uw mailbericht van 20 november jl. zo moet opvatten dat u(w cliënte) er in meer of mindere mate de voorkeur aan geeft dat ik reeds nu juridische standpunten inneem, dan raad ik u(w cliënte) aan om deze mening bij te stellen.

Het is, niet in de laatste plaats gezien de omvang, een lastige en juridisch complexe casus. Het innemen van juridische standpunten – die later gewijzigd kunnen worden – heeft in dit stadium nog geen meerwaarde voor het opgang brengen van het debat.

Conform uw verzoek zal ik in het navolgende schriftelijk aangeven op welke punten ik antwoorden en\of verduidelijking behoef.

Voordat ik dat doe, zal ik u, wellicht ten overvloede, eerst de relevante feiten en omstandigheden over de periode vanaf 1999 tot aan de datum van het faillissement van CQ schetsen.

 

Geschiedenis

Centra voor de kunsten waren ‘vroeger’ gemeentelijke instellingen. De medewerkers vielen als ambtenaren verplicht onder de gemeentelijke rechtspositieregeling CAR-UWO en waren aangesloten bij het ABP Pensioenfonds.

Gemeenten zijn overgegaan tot privatisering van de kunsteducatieinstellingen, waarbij in beginsel een overgang van de CAR-UWO naar de Cao Kunsteducatie (KE) en een overgang van ABP naar PFZW hoort.
Door de kosten die bij deze overstap horen, werd door gemeenten vaak gekozen om bij het ABP te blijven.
(*Feitelijk betekende dit dat de gemeenten ervoor kozen om de kosten voor het sociale vangnet nog niet af te rekenen, maar om het afrekenmoment uit te stellen.)

Dat kon destijds door het aannemen van een B3-status.

De kunsteducatie-instelling werd een stichting met een B3-status waarvan het personeel geheel of ten dele ambtenaar was in de zin van de Wet privatisering ABP (ongeacht of de CAR-UWO of cao KE van toepassing was).

 

CQ is in 1999 geprivatiseerd. In dat jaar hebben de gemeenten Emmen en Coevorden, de participanten van CQ, gezamenlijk een garantstelling afgegeven.

Deze garantstelling is tweeledig:

de gemeente Emmen en Coevorden staan gezamenlijk garant voor minimaal 51% van het tekort van CQ en de gemeenten Emmen en Coevorden dragen mede aansprakelijkheid voor de afdracht van pensioenbijdragen aan het ABP. Dit betreft een hoofdelijke aansprakelijkheid.

Onduidelijk is overigens of bij de omzetting van de ambtenarenstatus van een deel van het voormalige personeel van de Streekmuziekschool Coevorden (SMC) de juiste juridische stappen zijn gevolgd.
In het licht van alle afspraken bezien, is wel duidelijk dat het de bedoeling van de betrokken gemeente(n) was dat de ambtenaren niet in hun personele / arbeidsrechtelijke positie zouden worden gekort.

Het was de bedoeling om ervoor zorg te dragen dat de opgebouwde personele sociale vangnetten in stand zouden blijven.
Daarvoor zijn meerdere wegen naar Rome mogelijk, waaronder het afstorten van een zogenaamde ‘bruidsschat’.

In casu is ervoor gekozen om geen cash-out te laten plaatsvinden bij de betrokken overheden, maar het sociale vangnet wel in stand te laten, onder meer door voornoemde aansluiting bij het ABP en het garanderen van de continuïteit van CQ (door genoemde garantstellingen) in combinatie met een aanpassing van de statuten waarin opgenomen werd dat het personeel zou worden uitbetaald conform de (eerdere)ambtenarenstatus.

*( Zie artikel 14 van de statuten uit 1999.)

 

In de jaren vanaf 1999 was er sprake van een open-eind-financiering.

Dit betekende dat tekorten van CQ werden aangevuld door haar participanten, te weten de gemeenten Emmen en Coevorden.

In hoeverre dit op grond van de subsidieregeling of uit hoofde van voormelde garantstelling werdgedaan is niet duidelijk, maar linksom of rechtsom was CQ sterk afhankelijk van de gemeenten en waren de gemeenten op grond van de garantstelling gehouden om de tekorten van CQ aan te vullen.
De afhankelijke positie van CQ is mede in het leven geroepen door het feit dat de medewerkers van CQ voorheen in dienst waren bij de gemeenten en na de privatisering, op grond van de statuten van CQ, nog steeds onder de ambtenaren CAO CAR-UWO vielen.

 

Na de privatisering had CQ geen eigen vermogen. Voorts heeft CQ door de subsidieverhouding en de open-eind-financiering nooit feitelijk de mogelijkheid gehad om te sparen en voorzieningen te treffen voor zaken als onderhoud van haar pand en de afvloeiing van personeel.

Vooral dat laatste was problematisch, nu het op grond van de CAR-UWO zeer kostbaar was om personeel te ontslaanen te reorganiseren.
Dit had tot gevolg dat er leegstand ontstond. Leegstand is de term die CQ gaf aan docenten waarvoor geen werk was, maar die wel in dienst moesten blijven wegens het ontbreken van financiële middelen om tot afvloeiing van deze docenten over te gaan.
Dit betrof de laatste jaren zo’n 3,5 tot 4,5 fte, waardoor de jaarlijkse leegstandkosten gemiddeld zo’n €260.000,·· bedroegen.
Reorganiseren om van deze kosten af te komen, kon CQ zoals vermeld niet.

 

Rapport Hordijk & Hordijk

 

In opdracht van de gemeente Emmen (Dienst Beleid) is er eind 2009 aan Hordijk & Hordijk opdracht gegeven voor het verrichten van een onderzoek bij CQ.

De gemeente wilde onderzocht hebben onder welke voorwaarden het instrument ‘Beleidsgestuurde Contractfinanciering’ (BCF) vanaf het jaar 2010 kon worden toegepast in de subsidierelatie tussen de gemeente en CQ.

BCF is een methode om gemeenten en gesubsidieerde organisaties inzichtelijk te (laten) maken wat men inhoudelijk van elkaar verwacht, alsmede om aan de te bepalen ambities (te realiseren door het uitvoeren van specifieke activiteiten) technisch-zakelijke afspraken te koppelen.

 

De onderzoeksvraag luidde: ‘De gemeente Emmen wil de subsidierelatie met CQ vanaf het jaar 2010 definitief schoeien op de leest van de BeF-systematiek.

Is de (brede) bedrijfsvoering van de organisatie daarop thans voldoende voorbereid?

Zo nee, wat moet daarvoor, door wie en op welke termijn gebeuren?’

 

Uit het rapport van Hordijk & Hordijk (najaar 2009) blijkt dat de deskundigen van mening waren dat er geen andere conclusie kon worden getrokken dan dat de financiële positie van CQ als ondermaats moest worden aangemerkt. CQ had geen enkele (liquide) bewegingsruimte.

De deskundige was van mening dat de financiële positie zo snel mogelijk diende te worden versterkt.
Daarbij moest gedacht worden aan het verstrekken van een lang- of vooralsnog permanente lening van grofweg € 500.000,·.
Als die lening vanuit de verstrekker/subsidiegever een expliciet achtergesteld karakter zou krijgen, zou daarmee de facto sprake zijn van een versteviging van het eigen vermogen en tegelijk van het werkkapitaal.

 

De deskundige vermelde verder in zijn rapport dat CQ nauwelijks investeringen kon plegen zonder liquide steun van de gemeente Emmen.
Op dat moment stond er een bedrag van zo’n € 250.000, aan voorzieningen op de balans, maar er was geen liquide ruimte om de aldus ‘gespaarde’ bedragen ook feitelijk uit te geven. Volgens de deskundigen hielden CQ en de gemeente Emmen elkaar feitelijk al meerdere jaren in een wederzijdse wurggreep, die mede werd gevoed door de zeer traditionele manier van subsidiering (zijnde tekortfinanciering).

Als BCF in de relatie met CQ eenkans wilde krijgen, dan moest er snel en gericht iets gebeuren, aldus de deskundige.

Ofwel drastisch bezuinigen binnen de organisatie van CQ bij gelijkblijvende financiering (hetgeen zou leiden tot forse afvloeiingskosten), ofwel een eenmalige en vervolgens doorlopende verruiming van de subsidie van de gemeente Emmen.

Aangegeven werd dat de gemeente op korte termijn aan CQ een achtergestelde lening van tenminste € 500.000,- moest verstrekken.
De lening zou zodanige voorwaarden moeten kennen dat er sprake zou zijn geweest van achterstelling in rangorde ten opzichte van andere componenten van het vreemd vermogen, waardoor de facto de solvabiliteit vanCQ zou worden versterkt. Ook was de deskundige van mening dat er een klassieke begroting voor het jaar 2010 moest worden opgesteld, die sluitend moest zijn.

Mede gegeven de recente historie had de gemeente hierin ook nadrukkelijk een verantwoordelijkheid te nemen volgens de deskundige.
Geadviseerd werd om het subsidiebedrag te verhogen met een bedrag van afgerond€ 208.5000,-.

 

Het is duidelijk dat BCF een aanzienlijk andere vorm van subsidiering is dan tot dat moment werd toegepast en minder ‘steun’ voor de instelling meebrengt.
Het was een wens van de gemeente Emmen om dit toe te passen.

Gezien de geschiedenis (afhankelijkheid CQ van gemeente en B3 -status), lag het op de weg van de gemeente Emmen om er, bij de overgang naar BCF, voor zorg te dragen dat de situatie van CQ zodanig zou zijn, dat de kans van slagen van BCF het grootst zou zijn geweest.

Het rapport van Hordijk &; Hordijk maakt duidelijk wat er, op zijn minst, nodig was om de overgang naar BCF te laten slagen en uit dit, in opdracht van de gemeente Emmen opgestelde,rapport bleek ondubbelzinnig dat de financiële positie van CQ (zeer) slecht is en BCF, zonder voormelde financiële injectie van de gemeenten, geen kans van slagen zou hebben en zelfs zou leiden tot het faillissement van CQ.

De gemeente heeft geen achtergestelde lening willen verstrekken en het rapport is, voor zover bij de curator bekend, in de la van de ambtenaren terecht gekomen.

Wel wordt in de jaarrekeningen van CQ die opgemaakt zijn na het verschijnen van het rapport Hordijk &; Hordijk naar dit rapport verwezen in combinatie met een opmerking over de slechte financiële situatie van CQ. Hiermee staat de wetenschap aan de zijde van de gemeente Emmen vast.

Lees het volledige onderzoeksrapport van Hordijk & Hordijk

 

Vordering van gemeente Emmen op CQ

De uitvoering van de salarisadministratie van CQ is vanaf 1970 ondergebracht bij de gemeente Emmen.
De gemeente Emmen schoot de premielasten voor. Als gevolg van de samenvoeging van CQ en de Streekmuziekschool Coevorden is met ingang van 2003 een nieuw contract gesloten. Dit contract had tot doel om te bewerkstelligen dat de medewerkers van CQ hun ABP-rechten zouden behouden.
Het kwam erop neer dat de gemeente Emmen (maandelijks) subsidie aan de CQ betaalde en dat de gemeente CQ factureerde voor de door de gemeente Emmen voorgeschoten premies en loonheffingen (‘bevoorschotting’).

Op 8 januari 2010 kwam de gemeente Emmen erachter dat CQ fors achterliep met het betalen van de maandelijkse door de gemeente Emmen aan haar gefactureerde premies en loonheffing. Op 3 februari 2010 was er een achterstand van € 490.000, -, wat volgens de gemeente Emmen een vordering op CQ was. Volgens de financiële administratie van CQ ontstond deze lening doordat de gemeente Emmen de subsidies niet op tijd voldeden.

Of dit klopt of niet: op grond van de garantstellingsregeling stond de gemeente Emmen (en Coevorden) hoe dan ook voor het tekort van CQ.
Waarom de schuld/het tekort ook is ontstaan: de gemeente Emmen(en Coevorden) hadden op grond van de garantstelling de plicht om een tekort aan te zuiveren.

 

De gemeente Emmen heeft in de periode maart/ april 2010 aan CQ duidelijk gemaakt dat zij eiste dat CQ de ‘nullijn’ moest halen.
Dit was voor de gemeente Emmen een harde eis. Dit betekende dat CQ zou moeten besparen op uitgaven. Alleen de personeelskosten boden nog (enige) ruimte voor bezuinigingen.
Vervolgens is er lange tijd veelvuldig overleg geweest tussen de gemeente Emmen en CQ.
Op initiatief van de gemeente Emmen is de vordering ad € 667.000,– in 2012 omgezet in de hierna omschreven een hypothecaire lening.

 

 

Omzetten ‘schuld’ in hypothecaire lening

Uit de voorhanden zijnde stukken blijkt dat de gemeente Emmen CQ verplicht e/oplegde om te reorganiseren. Dat CQ moest reorganiseren, was voor iedereen duidelijk.
Ook duidelijk was dat CQ met haar rug tegen de muur stond. Immers, reorganiseren kostte geld, en geld had CQ wegens het ontbreken van eigen vermogen /voorzieningen/ liquide middelen niet. De gemeente Emmen wilde dat de ‘schuld’ van CQ aan haar werd omgezet in een hypothecaire lening.
Dit is in het licht van de garantstelling en participatieregeling op zijn zachtst gezegd opmerkelijk.
Nog opmerkelijker is dat de gemeente Emmen enkele voorwaarden heeft verbonden aan het aangaan van de hypothecaire lening.
In het geval CQ niet aan die voorwaarden voldeed, zou de gemeente Emmen de vordering opeisen, wat zou resulteren in het faillissement van CQ.

 

De door de gemeente Emmen gestelde voorwaarden waren:

 

– Annuïtaire lening, looptijd 25 jaar en rentepercentage van 4,5%;

– Recht van hypotheek op (en eerste koop van) het pand;

– Pandrecht op inventaris, debiteuren en roerende zaken;

– Opheffen participantenrol en alle daaruit volgende verplichtingen (en aanpassing van de statuten in het kader hiervan) per 1 januari 2013;

– Loslaten van de CAR-UWO als rechtspositie voor het personeel (en aanpassing van de statuten in het kader hiervan); overgang naar CAO Kunsteducatie per 1 januari 2013;

– Beëindigen B3-status per 1 januari 2013;

– Intrekken van garantieverklaring gemeente Emmen per 1 januari 2013 ; CQ dient maandelijks verantwoording af te leggen omtrent de afdracht van pensioenen,loonheffing en sociale premies (in relatie tot de afgegeven garantstelling tot aan het moment van beëindiging van de garantstelling);

– Flexibele organisatie; reële verhouding vast/variabel personeel.

( … )

– De gemeente is te allen tijde bevoegd indien zulks naar haar oordeel gewettigd is en/of CQ niet (langer) voldoet aan een van de aan de krediet verlening gestelde

voorwaarden, de verstrekte krediet-faciliteit in te trekken.-

* (Een pandrecht op debiteuren is nooit tot stand gekomen)

 

Uit deze voorwaarden blijkt dat de gemeente Emmen van de participatieregeling en de garantstelling af wilde. De reden van deze wens blijkt onder andere duidelijk uit het raadsvoorstel uit 201 1 (RA11.0136).

In dit raadsvoorstel is (terecht) opgenomen dat CQ nimmer een voorziening heeft getroffen ten aanzien van haar (dure) werknemers en dat de kosten bij ontslag via deconstructie van participatie voor de gemeente Emmen en Coevorden zouden komen.
Tevens vermeldt het raadsvoorstel dat het niet uitvoeren van een herstructurering onherroepelijk zou leiden tot het faillissement van CQ.
Een andere door de gemeente Emmen gestelde eis/voorwaarde betreft de overgang van de CAR-UWO naar de CAO Kunsteducatie (CAO KE).
De gemeente Emmen stelde deze eis, omdat het afvloeien van personeel op grond van de CAO KE goedkoper zou zijn dan op grond van de CAR-UWO.

 

Hoewel dit op zich juist is, is het de curator een raadsel op grond waarvan de gemeente Emmen dacht dat het voor CQ (wél) mogelijk zou zijn om op grond van de CAO KE te reorganiseren. Niet in de laatste plaats vanwege een wijziging in de vraag van de gemeente *,moest het ‘nieuwe’ CQ zeer ingrijpend reorganiseren, waarmee (zelfs) op grond van de goedkopere CAO KE zo’n 1,4 miljoen euro was gemoeid.

(* de gemeente Emmen wenste geen individuele muzieklessen meer te subsidiëren, maar eiste groepslessen)

CQ had hier niet de financiële middelen voor en de gemeente Emmen en Coevorden weigerden om de voor de reorganisatie vereiste frictiekosten te betalen.

 

Uit de voor de curator ter beschikking staande gegevens blijkt onomstotelijk dat een herstructurering/reorganisatie niet alleen noodzakelijk was, maar ook dat alle partijen met dit gegeven bekend waren en deze mening deelden.
Het standpunt van de gemeenten dat zij onder geen beding gehouden zouden zijn om mee te betalen aan frictiekosten, vindt geen steun in de wet dan wel in de jurisprudentie.

Hoewel de curator het begrijpt dat een dergelijk standpunt wel gevonden kan worden in bepaalde jurisprudentie ten aanzien van subsidieverstrekkingen, concludeert de curator dat deze juridische redenatie niet opgaat indien men alle belangen in deze specifieke casus meeneemt.
Anders gezegd, de gemeente Emmen kan bij het acteren als subsidieverlener niet om haar verplichtingen als participant (en Coevorden die als voormalige werkgever) heen en de gemeente Emmen kan zich niet achter de gemeente Coevorden verschuilen.

 

De curator is in het bezit van twee gelijkluidende geldleningsovereenkomsten.
Een is gedateerd op februari 2012 en de andere op januari 2013. Het betreft een lening van € 800.000,- ter omzetting van de vordering van de gemeente op CQ van € 667.874,- (+ 130.000, – voor frictiekosten overgang CAO).

Waarom de tweede overeenkomst is gesloten is mij niet bekend.

 

Zoals blijkt uit de door de gemeente Emmen gestelde voorwaarden, was voor het opheffen van de participantenrol en het wijzigen van de CAO een statutenwijziging nodig.
De statutenwijziging dateert van december 2013. Dit betekent dat er pas om dat moment is overgegaan naar de CAO KE.

Dit betekent ook dat de garantstelling pas in december 2013- want na de overgang naar CAO KE – is vervallen, aangezien uit de garantstelling blijkt dat de garantstelling is afgegeven ten behoeve van de verplichte aansluiting van de Stichting Pensioenfonds ABP.

Nu de statuten pas in december 2013 zijn gewijzigd, was er ten tijde van het vestigen van het hypotheekrecht nog altijd sprake van een participantenregeling.
Aan de voorwaarden van het veranderen van de statuten is echter formeel geen gevolg gegeven, nu de statutenwijziging van 19 december 2013 nietig blijkt te zijn.
Dit omdat de statuten niet gewijzigd kunnen worden in het geval er vacatures binnen het bestuur bestaan.

Aangezien er wel vacatures binnen het bestuur bestonden, is de statutenwijziging niet rechtsgeldig.
Dit kan niet achteraf geheeld worden.
De nietigheid was overigens voor alle partijen kenbaar, althans had voor alle partijen kenbaar moeten zijn.

Het vorenstaande heeft tot gevolg dat de statuten niet zijn gewijzigd, waardoor de participantenrol is blijven bestaan.
Ook zou een gevolg kunnen zijn dat de CAR-UWO van toepassing is gebleven en het (inmiddels ontslagen) personeel, vorderingen kan indienen op grond van deze CAO.

Wat de gemeente Coevorden betreft is nog van belang dat zij nimmer zelfstandig akkoord is gegaan met de betreffende statutenwijziging, zodat ook om die reden voor de gemeente Coevorden duidelijk moest zijn dat de statutenwijziging niet rechtsgeldig was en mitsdien de oorspronkelijke statuten gevolgd moeten worden.

Daarnaast heeft de Gemeente Coevorden nimmer haar garantieverklaring ingetrokken, zodat ook tot op heden er civielrechtelijk vanuit moet worden gegaan dat de gemeente Coevorden garant staat voor het tekort van CQ. Of en zo ja, in welke mate, de gemeente Emmen eveneens om die reden garant dient te staan, is voor de curator in dit stadium minder van belang, nu het een hoofdelijke aansprakelijkheid betreft.

Gelet op de feitelijke omschrijving dat er garant wordt gestaan voor “minimaal 51% van het tekort”, maakt de curator aanspraak op 100% van het tekort.
Deze redenatie volgend, zou dit betekenen dat het totale boedel-tekort betaald zou moeten worden door de participanten uit hoofde van de afgegeven garantieverklaring en de participatierol, waarbij opgemerkt wordt dat de vorderingen van het personeel tot op heden enkel berekend zijn conform de CAO-KE.

De curator ontkomt er niet aan om op zeer korte termijn te gaan communiceren met de bonden en het UWV dat deze aanname onjuist is, hetgeen tot gevolg heeft dat het personeel op de hoogte raakt van de omissie in de statutenwijziging en zal claimen op grond van de CAR-UWO.

 

Voorlopige standpunten curator

De curator is van mening dat de door de gemeenten in de periode van 2009 tot op heden genomen stappen, geen schoonheidsprijs verdienen.

De gemeente Emmen heeft in het onderhavig dossier diverse gezichten, zoals een inkopende (civiele) rol, een subsidie-verstrekkende rol, maar ook een rol als (voormalig) werkgever. De gemeente Emmen heeft, ondanks dat zij op grond van de garantstelling gehouden was om minimaal 51% van het tekort van CQ aan te vullen en het derhalve de vraag is of er überhaupt sprake was van een vordering van de gemeente Emmen op CQ, in 2012 -derhalve op het moment dat zij nog participant was – de vordering omgezet in een door een hypotheek gedekte lening. U zult begrijpen dat ik mij wat de geldleningsovereenkomst en het hypotheekrecht betreft,beroep op de Actio Pauliana. Hoewel ik van mening ben dat het paulianeuze karakter van de (recht)handelingen van de gemeente Emmen geen nadere uitleg behoeft, lijkt mij het goed om, mocht hierover toch discussie ontstaan, hier afzonderlijk over te communiceren.

Uiteraard spelen de hiervoor omschreven feiten wel een rol bij mijn standpunt dat de gemeente Emmen paulianeus heeft gehandeld. De gemeente Emmen wist, althans behoorde te weten dat een faillissement te verwachten was.
De curator verwijt de gemeente Emmen haar rol in de reorganisatie van de laatste jaren en de weigering om mee te betalen aan frictiekosten bezien vanuit haar participantenrol en de garantstelling. Daarnaast is de curator van mening dat het personeel en de betrokken bonden enkel akkoord zijn gegaan met een negatieve verandering van het sociale vangnet door over te stappen naar de CAO-KE in de veronderstelling dat de betrokken gemeenten de op hen rustende verantwoordelijkheden zouden nemen bij de noodzakelijke reorganisatie. (De betrokken vakbonden zijn bereid dit te verklaren.)

Uit de voor de curator ter beschikking staande gegevens blijkt onomstotelijk dat een reorganisatie niet alleen noodzakelijk was, maar ook alle partijen bekend was.
Het standpunt van de gemeente Emmen dat zij niet gehouden zou zijn om mee te betalen aan frictiekosten, heb ik reeds in het voorgaande weerlegd.
De gemeente Emmen kon bij het acteren als subsidieverlener niet om haar verplichtingen als participant heen.

 

 

Op grond van dit alles kan de curator niet anders concluderen dan dat de gemeente Emmen, al dan niet gezamenlijk met de gemeente Coevorden, aansprakelijk is voor het boedel-tekort in het faillissement van CQ.

 

Zoals u weet, lijkt het mij zinvol om in een open debat de verschillende onderwerpen gezamenlijk te bespreken. Partijen kunnen afspreken hoe om te gaan met de resultaten van een dergelijke bespreking. Dit om te voorkomen dat betrokken partijen de kaarten voor eventueel te voeren procedures in de mouw houden.

Ik ben bereid in nader overleg te bezien op welke wijze we dergelijke afspraken kunnen vormgeven, zodat een vrij te voeren bespreking haalbaar is.

 

Search
Luuk Houkes

Luuk Houkes, (geb. 19-01-1947) versterkt al geruime tijd het team dat zich, samen met de Kunstenbond inzet voor de belangen van de oud-medewerkers van CQ

 

 

Lees meer

 

N.a.v. de aangifte die vorige week is gedaan van faillissementsfraude is er gisterochtend bericht gekomen van de Officier van Justitie.
Na bestudering van de diverse door de Bonden ingeleverde documenten, werd hen door de Off. van Justitie verzocht  officieel aangifte te doen van faillissementsfraude en Paulianeus handelen.
Dat hebben de bonden gistermiddag direct gedaan.
Samen met de FIOD en het OM gaat  nu bekeken worden of er een onderzoek ingesteld kan worden naar verdachten, te weten gemeenten Emmen en Coevorden, alsook de notaris Veldkamp en makelaar Ludwig van het voormalig CQ bestuur
Inspreekavond Emmen
Mr. Mark Gerrits (NTB)

Het trauma van 2014?

“Geachte leden van de Raad

Gaat dit faillissement óók de boeken in als een trauma?

Een trauma voor de ontslagen werknemers?

Het trauma van 2014?” … Video

Anne Jan de Graaf (FNV)

Geachte commissie,

“Ik wil u dringend vragen om te bewerkstelligen dat de beide bonden in de gelegenheid worden gesteld om met de verantwoordelijke wethouder te kunnen onderhandelen over een realistische schadeloosstelling voor de ontslagen werknemers van CQ” … Video

 

Tanja Schrijver (FNV)

Kent u dat woord, vilein?

“De gemeente Emmen lijkt bewust voor faillissement te kiezen en heeft de stekker eruit getrokken.
Een vilein besluit dus van de gemeente Emmen.”

 

Lees meer

Dhr. Auke Oldenbeuving (CDA) vroeg tijdens de inspreekavond of wij ‘teleurgesteld’ waren.
Hij vond dhr. Gerrits en de andere vertegenwoordigers te fel in hun optreden.
Bovendien rekte de curator alleen de boel maar op, die was enkel uit op eigen voordeel.

 

Lees meer

Categorieën